Katwilg - Salix viminalis
23 Maart 2010
De katwilg (Salix viminalis) of teenwilg is een plant uit de wilgenfamilie (Salicaceae). Het is een tweehuizige boom die van nature voorkomt in Europa en Azië.
De katwilg vormt meestal een struik, maar kan ook een boom vormen, die tot 6 (10) m hoog kan worden. Ze komen voor in grienden en aan rivieroevers. De katwilg is gemakkelijk vegetatief te vermeerderen en wordt dikwijls aangeplant vanwege de lange twijgen, die voor het vlechten van manden gebruikt worden. De dikkere takken worden als bonenstaken gebruikt. Ook worden ze soms geknot en vormen dan een knotwilg. De zilverwitte, mannelijke katjes worden als sierkatjes gebruikt in onder meerkerststukjes.
De bast van oude struiken en bomen is gegroefd. De twijgen zijn geel of olijfkleurig en aanvankelijk grijsachtig behaard.
De verspreid staande, lange, gegolfde, matgroene bladeren van de katwilg verschijnen direct na de bloei en zijn aan de rand naar beneden omgerold. Ze zijn 10-25 x 0,5-1,5 cm breed en hebben een zijdeachtig behaarde onderkant. De haren staan allemaal één kant uit en de zijnerven aan de onderkant zijn duidelijk uitspringend. De bladsteel is 0,5-1,5 cm lang. De lancetvormige steunblaadjes blijven niet lang aanwezig. (Bron Wikipedia)
Voor een uitgebreide beschrijving kijk ook op Wilde planten
De katwilg vormt meestal een struik, maar kan ook een boom vormen, die tot 6 (10) m hoog kan worden. Ze komen voor in grienden en aan rivieroevers. De katwilg is gemakkelijk vegetatief te vermeerderen en wordt dikwijls aangeplant vanwege de lange twijgen, die voor het vlechten van manden gebruikt worden. De dikkere takken worden als bonenstaken gebruikt. Ook worden ze soms geknot en vormen dan een knotwilg. De zilverwitte, mannelijke katjes worden als sierkatjes gebruikt in onder meerkerststukjes.
De bast van oude struiken en bomen is gegroefd. De twijgen zijn geel of olijfkleurig en aanvankelijk grijsachtig behaard.
De verspreid staande, lange, gegolfde, matgroene bladeren van de katwilg verschijnen direct na de bloei en zijn aan de rand naar beneden omgerold. Ze zijn 10-25 x 0,5-1,5 cm breed en hebben een zijdeachtig behaarde onderkant. De haren staan allemaal één kant uit en de zijnerven aan de onderkant zijn duidelijk uitspringend. De bladsteel is 0,5-1,5 cm lang. De lancetvormige steunblaadjes blijven niet lang aanwezig. (Bron Wikipedia)
Voor een uitgebreide beschrijving kijk ook op Wilde planten
Voor de archiefbeelden van 2009 klikt u hier , voor 2008 klikt u hier en voor die van 2007 klikt u hier!

